Version à imprimer

Wat politiek voortvloeit uit de psychoanalyse

Inleiding

“Eigenlijk ben ik helemaal geen man van de wetenschap, geen waarnemer, ook geen experimentator, noch een denker. Van temperament ben ik niets dan een conquistador – anders gezegd een avonturier – met al de nieuwsgierigheid, durf en volharding waardoor iemand van dat soort gekenmerkt wordt.” (Sigmund Freud, 1900 [1]).

Vragen over psychoanalyse gesteld aan de Internationalistische Communistische Linkerzijde

De Internationalistische Communistische Linkerzijde heeft heel weinig gepubliceerd over psychoanalyse, of, wat dat betreft, over psychologie in het algemeen. Toch is de uitwerking van psychoanalyse op de maatschappij enorm geweest : zij kan zelfs worden gekenmerkt als één van de belangrijkste ideologieën van de twintigste eeuw. Zij heeft heel direct het private leven van honderden miljoenen mensen geraakt in de periode rond de Tweede Wereldoorlog ; zij heeft bedrijfspolitiek beïnvloed net als de wereld van marketing en reclame – zij heeft zelfs kunst en literatuur geïnspireerd. Zij heeft een hele nieuwe woordenschat toegevoegd aan algemeen taalgebruik.

Door middel van “massapsychologie” heeft zij ook aanzienlijk bijgedragen aan een nieuwe definitie van hoe een onwillige bevolking beheerst kan worden om die zich te laten gedragen als een geheel van enthousiaste en verantwoordelijke burgers ondergeschikt aan de nationale staat. Oorlogspropaganda werd doelmatiger in het ronselen van kanonnenvlees door meer overredende technieken : manipulatie van het “onbewuste” en het inspelen op “instincten”.

Er is uitgebreid gebruik van gemaakt door fascisten, stalinisten zowel als democraten. Het was in de periode waarin de arbeidersklasse het meest verpletterend was verslagen en gemobiliseerd achter de imperialistische vlaggen dat deze ideologie zijn gloriemomenten kon beleven terwijl zij begon uiteen te vallen na de jaren 1960.

Tientallen jaren lang moesten psychoanalytici niet alleen concurreren met positivistische, experimentele, wetenschappelijke psychologen [2] ; zij vormden daarop ook een gewaardeerde aanvulling. De experimentele psychologen, op hun beurt, verleenden hun eigen diensten aan de staatspolitiek, waarbij het individu werd losgemaakt uit zijn sociale omgeving, bewerend de “wetenschap van de menselijke aard” te vertegenwoordigen [3]. Het is verdedigbaar dat de psychoanalyse een obstakel heeft gevormd voor de ontwikkeling van de moderne psychologie. Maar het is net zo verdedigbaar dat experimentele psychologen, meer in het bijzonder behavioristen, neurobiologen en genetici, altijd de één of andere vorm van psychoanalyse nodig zullen hebben om hun eigen reductionisme goed te maken.

Biologische en individuele verklaringen dragen weinig bij tot ons toch al beperkt begrip van de “menselijke ziel” die sociaal van aard is. Een minimum begrijpen is echter des te urgenter omdat de huidige economische, sociale en politieke crisis, in eerste instantie, vooral het risico in zich draagt eerder “collectieve psychoses” voor te brengen dan klassenbewustzijn.

In de veel gerespecteerde “internationale wetenschappelijke gemeenschap” zijn Sigmund Freud en zijn psychoanalyse nog altijd niet verdwenen. In het Freud-jaar 2006, waarin de 150ste verjaardag van deze legendarische “ontdekker van het onbewuste” werd gevierd, was er zelfs sprake van een opleving : er werd een internationaal geregisseerde campagne gevoerd, vooral komend van naturalistisch materialistische neurobiologen, in allerlei tijdschriften ; algemene, wetenschappelijke, maar vooral populairwetenschappelijke, met op de omslag titels als : “Neurobiologisch onderzoek bevestigt de theorieën van Freud”, en “De terugkeer van Freud” [4]. Wie daar niet in mee kon gaan werd laatdunkend afgedaan als “Freud Afkraker” ; er werden geen pogingen ondernomen om op de kritieken te antwoorden. Ernstiger wetenschappers, uit welke denkschool of achtergrond ze ook komen, neigen ertoe de theorieën van Sigmund Freud te bekijken met hetzelfde meewarige misprijzen als die van Rudolf Steiner [5].

Psychoanalyse is vooral nog springlevend in landen als Argentinië en Frankrijk, in de vorm van het Lacanisme, en aldaar is het ook prominent aanwezig in boekhandels met een indrukwekkende literatuur, die echter niet eens bestaat in andere talen dan het Frans of het Spaans [6]. De Lacaniaanse psychoanalyse is ongetwijfeld een karikatuur van het ongetwijfeld zeer diepgravende [7] en vooral speculatieve [8] denken van Sigmund Freud. Maar omdat het zichzelf voorstelde als een “terugkeer tot Freud” toen de meeste psychotherapeuten afscheid begonnen te nemen van de eigenlijke theorie – de seksuele fantasieën van de Oude Meester brachten hen teveel in verlegenheid, en vooral vrouwen begonnen daartegen te rebelleren – kan het moeilijk worden voorgesteld als een achteruitgang ten opzichte van de “werkelijke” Freudiaanse psychoanalyse. Wat zei hij, de grote Jacques Lacan, aan het eind van zijn leven ?

“Onze praktijk bestaat uit oplichterij, gebluf, mensen verbijsteren en verblinden met grote nietszeggende woorden, dat is precies wat we kouwe drukte noemen. [...] Ethisch gezien is ons beroep onverdedigbaar, en daar wordt ik ziek van, want net als iedereen heb ik een geweten.” “Het gaat om de vraag of Freud een grote historische ontdekking deed. Ik denk dat het een mislukking was. Net als ik geeft binnenkort niemand nog een sodemieter om de psychoanalyse.” [9].

De oorsprong van de psychoanalyse

De bijzondere vorm van Sigmund Freud’s “onbewuste”, vol van moeilijk te omschrijven “seksuele instincten” [10], bestond uit plagiaat uit geschriften van vitalisten [11] als Arthur Schopenhauer [12], Eduard Hartmann en Friedrich Nietzsche. Het stond recht tegenover Georg Friedrich Wilhelm Hegel’s begrip van “vervreemding” met zijn sociale wortels zoals verder ontwikkeld door Karl Marx.

In de negentiende eeuw begonnen massa’s van “vervreemden” de nieuw gebouwde armenhuizen, gevangenissen en “gekkenhuizen” te bevolken. Van een paar duizend in het begin van de negentiende eeuw waren er aan het eind van de eeuw honderdduizenden opgesloten in instellingen. Ze waren ontdaan, “vervreemd” van hun bestaansmiddelen en bijgevolg van hun eigen wezen waarmee ze net zozeer het contact hadden verloren als met de werkelijkheid. Ze hadden hun trots, waardigheid en eer verloren. Aan het eind van de achttiende eeuw noemde Philippe Pinel – die oog had voor de sociale achtergrond van het probleem – het “mentale vervreemding”. Dat alles werd door naturalistische materialisten en vitalisten gezien als het onvermijdelijke resultaat van “instincten” die uit de hand liepen ; als een onvermijdelijk en onomkeerbaar lichamelijk en moreel overerfbare “ontaarding” van de “onderlagen van de maatschappij” [13]. In die context werd het idee van “onbewuste impulsen” geboren.

Na de Franco-Pruisische oorlog en de Commune van Parijs werd de aandacht steeds meer verlegd van sociale tegenstellingen naar de mysteries van de afzonderlijke geest ; het leidde tot een hele “psychische” beweging van “vrijdenkers” [14]. Wenen werd daarvan een van de belangrijkste centra ; niet alleen de psychoanalyse werd daar geboren, maar ook de Theosofie. Psychoanalytici organiseerden zich in de Psychoanalytische Vereniging, ver weg van de wetenschappelijke gemeenschap, net zoals de Theosofen zich afzonderlijk organiseerden in hun Theosofische Vereniging. Daar kon naturalistisch materialisme gemakkelijk worden verenigd met “spiritualisme”. Daar konden conflicten ook behandeld worden in een geheime commissie, die toezag op de loyaliteit van de leden, in plaats van ze op te lossen middels openbaar debat [15].

De aanspraken van de psychoanalyse

Het is ook nodig in te gaan op de drie grote aanspraken van de psychoanalyse :

1- De psychoanalyse zou een methode zijn om de geest te onderzoeken. Sigmund Freud’s wetenschappelijke methode bestond uit “introspectie” [16] en de waarneming van zijn eigen kinderen. Hij paste nooit de vergelijkende methode toe gebaseerd op grotere aantallen of kwantificeerbare en vergelijkbare gegevens ; de zeer weinige “case studies” die hij uitgaf – in de vorm van aantrekkelijke detective verhalen – zijn compleet bedrog gebleken.

2- De psychoanalyse zou een gesystematiseerd geheel van kennis vertegenwoordigen over menselijk gedrag. Maar “neurosen” [17] bestaan als zodanig niet eens meer in de classificatie van de moderne psychiatrie. “Verdrongen herinneringen” vormen een randverschijnsel waar heel voorzichtig mee moet worden omgegaan omdat er nauwelijks middelen bestaan om te onderzoeken of een herinnering betrekking heeft op een werkelijk in het verleden plaatsgevonden gebeurtenis terwijl “verdrongen herinneringen” ook heel gemakkelijk geschapen kunnen worden door “therapie”. De rest bestaat uit aanstootgevende ideeën over wel erg jonge kinderen met “seksuele impulsen” en vreemde ideeën over het “Oedipuscomplex”, “castratieangst”, “penisnijd” en “orale” en “anale” “fixaties”. Kenmerkend voor vitalistische visies zijn onbepaalde dingen als “het libido” en “Eros”. In Het ego en het onbewuste (1923) postuleert Sigmund Freud ook een zekere constante “psychische energie” [18], zonder ooit aan te geven waaruit die bestaat of hoe die gemeten zou kunnen worden, waar het vandaan komt of waar het naar toe gaat.

3- De psychoanalyse zou tenslotte een methode zijn om “psychologische of emotionele ziekte”, wat dat ook is, te bestrijden [19]. Het therapeutische succes van psychoanalyse staat niet alleen ter discussie, maar gemeten aan het subjectieve gevoel van het zich “welbevinden” vóór en ná behandeling, is het resultaat niet beter dan een pelgrimstocht naar Lourdes of het ingrijpen van om het even welke gebedsgenezer. En het is ook moeilijk om van mening te verschillen met een psychoanalyticus, want meningsverschil kan een “bevestiging” betekenen van de analyse, en bewijs van “onbewust verzet” tegen de aanvaarding ervan.

De integriteit van Sigmund Freud

Dan zijn er enkele vragen die zelfs de integriteit van Sigmund Freud en zijn volgelingen ter discussie stellen :

1- Onder druk breidde hij zijn individuele psychologie mechanisch uit naar de antropologie en de geschiedenis van de mensheid als geheel. Hij postuleerde een “oorspronkelijke horde” en schiep de mythe van een bende gorilla-achtige zoons die hun vader vermoordden omdat ze seks met hun moeder wilden hebben. De belangrijkste inspiratiebron was de Franse racist Gustave Le Bon en het werd toegedekt met een verkeerde lezing van Charles Darwin [20].

2- Psychoanalytici als Sigmund Freud, Alfred Adler, Carl Gustav Jung, Sándor Ferenczi, Otto Rank, Wilhelm Reich, Melanie Klein, Erich Fromm, Karen Horny, Bruno Bettelheim en Jacques Lacan verwoordden allemaal theorieën die met elkaar in strijd waren. Wat ze gemeenschappelijk hadden bestond uit hun afkeer van staving [21]. De meesten van hen gaven zelfs voor dat hun therapeutische resultaten niet voor staving open zouden staan [22] omdat zij werkten aan subjectieve gevoelens van “welzijn”. Ze “genazen” door te “luisteren” en “het geven van wat advies” – iets dat ook wordt gedaan door katholieke priesters, protestantse dominees, islamitische imams en hindoe goeroes, en, in tegenstelling tot kostbare psychoanalytici, over het algemeen gratis [23].

3- De officiële geschiedenis van de psychoanalyse, zoals vastgelegd door Sigmund Freud’s biograaf Ernest Jones, is compleet bedrog gebleken, gericht op het toedekken dat Sigmund Freud een pathologische leugenaar was, een kwakzalver en een oplichter, een stevig gelover in het paranormale en alles dat metafysisch is, eindigend met “metapsychologische”, dat wil zeggen : pseudo-wetenschappelijke theorieën.

4- Tenslotte moeten we de betrekkingen onderzoeken van Sigmund Freud met het marxisme en de arbeidersbeweging en de ware aard van zijn “humanisme” : niet alleen werkte hij uitsluitend voor wie rijk en beroemd was, nooit enige interesse vertonend voor wie uit de maatschappij was buitengesloten, gevangen gezet in de “mentale instellingen” van zijn tijd, maar het kan ook moeilijk worden volgehouden dat hij enige serieuze stelling nam in de hoog-politieke vraagstukken waarmee hij geconfronteerd werd.

In zijn meest onschuldige gedaante kan psychoanalyse net zo leuk zijn als astrologie of de Da Vinci Code. Maar ze neigt ertoe heel wat sneller een ongure draai te krijgen. Het is zelfs gevaarlijk, juist omdat ze beweert “wetenschappelijk” te zijn en omdat het de “psychologie” van haar slachtoffers aanzienlijk kan raken.

Wie nog zou denken dat er “enige waarheid” verscholen kan liggen in psychoanalytische theorieën zou ook in overweging kunnen nemen dat Sigmund Freud zoveel schreef, dat het statistische gezien hoogst onwaarschijnlijk is dat het allemaal fout is. De algemene regel is : als het klopt, dan is het niet eigen aan Freudiaanse psychoanalyse ; als het eigen is aan Freudiaanse psychoanalyse, dan deugt het niet.

Psychoanalytici roepen : “vertrouw niet jezelf, vertrouw ons”. Als zodanig is het een uitstekend middel om diegenen te manipuleren die er in geloven en om misbruik van hun vertrouwen te maken. De Freudiaanse psychoanalyse drijft haar slachtoffers in narcisme, zichzelf inwaarts te keren en gevangen te raken in hun eigen persoonlijk verleden door ze stelselmatig te vragen hun eigen beweegredenen te wantrouwen [24], zoals vereeuwigd in de films van Woody Allen [25].

Psychoanalyse, de arbeidersbeweging en burgerlijk links

De weinige werkelijke resultaten van de experimentele, “positivistische” psychologie vormden nauwelijks een probleem voor de materialistische geschiedenisopvatting [26], in tegendeel, de omvorming daarvan in een nieuwe reductionistische ideologie stelde aanzienlijke problemen. In tegenstelling daartoe stond de psychoanalyse daar vanaf het begin lijnrecht tegenover, en door het stilzwijgen erover kon er moeilijk van de arbeidersbeweging worden verwacht dat die onaangeroerd bleef door de invloed ervan :

1- De invloed van de “psychische beweging” rond de eeuwwisseling kon al worden gevoeld in het latere werk van de medegrondlegger van de theorie van natuurlijke selectie, de socialist Alfred Russel Wallace, en de invloed die het had op de “Fabian” socialisten George Bernard Shaw and Annie Besant [27], met banden naar Mevr. Blavatsky en Rudolf Steiner in Wenen. De psychoanalyse maakte deel uit van deze “psychische” beweging en was voorafgaand aan de Eerste Wereldoorlog van invloed op de kringen van de Austro-Marxisten : beroemde eerste “neurotische” patiënten van Sigmund Freud waren zusters van bekende Austro-Marxisten [28].

2- De Bolsjewiek Adolph Joffe, die last had van zenuwklachten toen hij in 1908 in ballingschap in Wenen verbleef, was in “psychoanalyse” bij Alfred Adler ; Leo Trotski, die kort daarna in Wenen aankwam, was onder de indruk ervan en wilde het vraagstuk van de wetenschappelijke basis van de psychoanalyse open houden [29] ; Lenin echter veroordeelde de psychoanalyse als een “voorbijgaand modeverschijnsel” en het wortelde nauwelijks in de Sovjet-Unie. Toch bezocht Joseph Stalin’s zoon Vasili de psychoanalytische ‘Witte Kleuterschool” in Moskou ; de school werd in 1925 gesloten en de Russische Psychoanalytische Maatschappij werden officieel in 1930 ontbonden [30].

3- De psychoanalyse beïnvloedde verschillende takken van het anarchisme.

4- In Duitsland waren er enkele vroege echo’s in de arbeidersbeweging door de geschriften van Siegfried Bernfeld en Otto Fenichel, eindigend in het vroeg onderbroken Freudo-Stalinistische avontuur van Wilhelm Reich en zijn aanhangers in 1929-1930 [31].

5- Otto Rühle en zijn vrouw Alice Rühle-Gerstel publiceerden ten gunste van de Adleriaanse “persoonlijke psychologie”, zich afzettend tegen de Freudiaanse versie. [32] Andere “radencommunisten”, zoals Paul Mattick en Anton Pannekoek, verwierpen de Freudiaanse psychoanalyse uitdrukkelijk [33]. Een uitzondering wordt gevormd door de latere Hennriette Roland Holst-Van der Schalk toen ze afstand nam van de arbeidersbeweging in de richting van moraliseren, spiritualisme en psychologie. Vertegenwoordigers van de Italiaanse Linkerzijde, zoals Amadeo Bordiga, vertoonden er geen tekenen van de beginselen van de psychoanalyse aan te hangen, maar ze gaven er ook geen blijk van zich erg met het onderwerp te hebben beziggehouden.

6- Binnen de Franse groep Socialisme ou Barbarie aanvaardde Cornelius Castoriadis, toen hij brak met het Marxisme, het Lacanisme in 1964 ; in 1969 richtte hij liever zijn eigen school op en begon hij de psychoanalyse vanaf 1974 zelf in praktijk te brengen.

Er zij weinig andere echo’s vanuit de arbeidersbeweging, maar ze zijn een onderzoek waard [34]. Het is niettemin van belang vast te stellen dat de psychoanalyse nooit is toegepast om enig historisch feit te verklaren ; en zelfs niet voor het gedrag van enkelingen. Leo Trotski bijvoorbeeld, hoewel hij erg “psychologisch” was in zijn benadering van enkelingen, en al te gemakkelijk karakters beoordeelde, heeft nooit geprobeerd gedrag te verklaren in psychoanalytische begrippen. Klaarblijkelijk had hij dat niet nodig ; wat hij te zeggen had kwam voort uit zijn eigen empirische waarnemingen en levenservaring, niet uit enige algemene theorie.

In tegenstelling daartoe is er driedubbel bewijs van de invloed van psychoanalyse op burgerlijk links :

1- Psychoanalytisch denken werd populair door de zogenaamde School van Frankfort, met geheel verschillende denkers als Herbert Marcuse, Theodor W. Adorno, Max Horkheimer, Walter Benjamin, of zelfs, als die tot deze “school” gerekend kunnen worden, Erich Fromm en Karen Horney, beiden oude aanhangers van Wilhelm Reich.

2- Het Freudo-Stalinisme van Wilhelm Reich herleefde in de jaren 1970, vooral in Duitsland en de Verenigde Staten, omdat zijn later werk kritisch leek te staan tegenover de “seksuele politiek” in de Stalinistische Sovjet-Unie en omdat het samenviel met de “seksuele revolutie” van de jaren 1960.

3- Een hippiecultboek van Norman O. Brown, getiteld Leven tegen dood [35], leek ooit een aantrekkelijke aanvulling op het marxisme in de vorm van een steriele en allesverklarende dichotomie, de mythische krachten van leven en dood, heel nauw aansluitend bij de dichotomie Yin en Yang en het Zen-Boeddhisme.

Nieuw opkomende groepen, geïnspireerd door de Internationale Communistische Linkerzijde in deze periode, bij gebrek aan historische ervaring, werden natuurlijk sterk beïnvloed door de algemene stemming in de maatschappij. Terwijl ze tegelijk tot op zekere hoogte de standpunten van de vorige generaties vernieuwden, neigden ze er ook toe alles te omhelzen wat “nieuw” en “revolutionair” leek. “Ligbankpsychologie” kon zelfs worden aangeprezen als een “wetenschappelijk alternatief” voor de “huis-, tuin- en keukenpsychologie”, zo geliefd bij ultralinkse intriganten.

18 september 2009, Vico.

(Vertaald uit het Engels door de schrijver, 3 november 2009.)

[1Brief aan Wilhelm Fliess, 1 februari 1900.

[2Het wordt algemeen veronachtzaamd dat de werkelijke grondslag van de moderne psychologie te vinden is in Charles Darwin’s The expression of the emotions in man and animals, 1872 (Het uitdrukken der gemoedsaandoeningen bij den mensch en de dieren, 1873). De psychologie als afzonderlijke wetenschap werd verder ontwikkeld door de Amerikaan William James (Principles of Psychology, 1890) en de Duitser Wilhelm Wundt (Grundzüge der physiologischen Psychologie, 1873-1874 en vooral Grundriß der Psychologie, 1896). Beide stichtten een laboratorium voor psychologisch onderzoek in 1875, kort na de uitgave van Charles Darwin. Ze gaven de psychologie onmiddellijk een mechanistische, reductionistische en deterministische richting die niet terug te vinden is in de werken van Charles Darwin’s zelf, en ze verwarden ook “evolutie” met “vooruitgang”.

[3Zie bijvoorbeeld Frank A. Geldard, Fundamentals of Psychology, New York, John Wiley & Sons, 1962 (Handboek van de psychologie, Utrecht/Antwerpen, Het Spectrum, 2 dln., 1970). Over “Het wezen van de menselijke natuur” (we kunnen dat ook de “menselijke ziel” noemen) wordt niet meer meegedeeld dan dat die “ingewikkelder” is dan die van andere dieren en ook “minder voorspelbaar”. Dat zegt weinig. We worden gerustgesteld met de mededeling dat het allemaal gaat over “drijfveren, het leerproces en waarneming”. Dat helpt ons ook niet veel verder omdat dat ook geldt voor vissen, amfibieën, reptielen, vogels and zoogdieren. Men moet vooral niet onder de indruk raken van de uitgebreide wiskundige taal waarin de tamelijk magere theorie verpakt is. Het gaat vooral om enkelvoudige statistische relaties die een zekere “correlatie” zouden “suggereren”, maar zonder noodzakelijkerwijs overeen te komen met enige “oorzakelijkheid”. Dat is geheel logisch omdat er altijd tientallen “variabelen” meespelen ; de menselijke geest is veel te ingewikkeld om te kunnen worden opgesloten in eenvoudige wiskundige vergelijkingen.

[4Waaronder Scientific American, februari 2006, en het Duitse Der Spiegel, mei 2006 ; alom bekende Freudiaanse neuro-biologisten zijn Oliver Sacks and António Damásio.

[5Het feit dat de boeken van Sigmund Freud en Rudolf Steiner door de Nazi’s werden verbrand en veroordeeld werden door het Vaticaan kan moeilijk worden aangevoerd als argument ten gunste van hun theorieën.

[6Berucht in Frankrijk werd de Affaire Bénesteau van 2002 – een buitensporige laster-campagne, dat het gebrek aan argumentatie moest verbloemen, in l’Humanité en Le Monde – met ongefundeerde beschuldigingen van antisemitisme en een zielig “Waarom zoveel haat tegen ons ?” van de gerecycleerde staliniste Élisabeth Roudinesco, de diva van de Franse psychoanalyse. Zie Jacques Bénesteau, Mensonges freudiens. Histoire d’une désinformation séculaire, Mardaga, 2002. Het is verbazingwekkende dat dit boek zo’n schandaal veroorzaakte want het werd voorafgegaan door (niet uitputtende lijst) in het Frans door : Pierre Debray-Ritzen, La scolastique freudienne, Paris, Fayard, 1973 ; Frank J. Sulloway, Freud biologiste de l’esprit, Paris, Fayard, 1979 (Freud, Biologist of the Mind : Beyond the Psychoanalytic Legend, 1979) ; Jacques Van Rillaer, Les illusions de la psychanalyse, Bruxelles, Mardaga, 1980 ; Sherry Turkle, La France freudienne, Paris, Fayard, 1981 ; Patrick J. Mahony, Freud l’écrivain, éd Belle Lettres, 1982 ; Hans Jürgen Eysenck, Déclin et chute de l’Empire Freudien, Paris, De Guibert, 1985 (Decline and Fall of the Freudian Empire, 1985) ; Paul Roazen, La Saga freudienne, Paris, P.U.F., 1986 ; Renée Bouveresse, Les critiques de la psychanalyse, Que sais-je, n̊2620, Paris, P.U.F., 1991 ; Pierre Debray-Ritzen, La psychanalyse, cette imposture, Paris, Albin Michel, 1991 ; Adolf Grünbaum, La psychanalyse à l’épreuve, Paris, L’Éclat, 1993 (Validation in the Clinical Theory of Psychoanalysis, A Study in the Philosophy of Psychoanalysis, 1993) ; Henri F. Ellenberger, Histoire de la découverte de l’inconscient, Paris, Fayard, 1994 (The Discovery of the Unconscious, New York, Basic Books, 1970) ; Adolf Grünbaum, Les fondements de la psychanalyse, une critique philosophique, Paris, P.U.F., 1996 (The Foundations of Psychoanalysis : A Philosophical Critique, 1984). Ondanks het schandaal en het risico van gerechtelijke vervolging in Frankrijk werd het gevolgd (niet uitputtende lijst) door : André Haynal et Paul Roazen, Dans les secrets de la psychanalyse et de son histoire, Paris, P.U.F., 2005 ; Catherine Meyer (dir.), Le Livre noir de la psychanalyse. Vivre, penser et aller mieux sans Freud, Les Arènes, coll. Documents, 2005 ; Jacques Van Rillaer, Le freudisme et les rationalismes, Lyon, 2006 ; Mikkel Borch-Jacobsen, Sonu Shamdasani, Le dossier Freud : Enquête sur l’histoire de la psychanalyse, Empêcheurs de Penser en Rond, 2006 ; René Pommier, Sigmund est fou et Freud a tout faux. Remarques sur la théorie freudienne du rêve, éditions de Fallois, 2008. Het gaat om schrijvers uit geheel verschillende denkscholen ; meerdere van hen waren zelf ooit ferme gelovers van de psychoanalyse. In het Engels is de lijst veel, heel veel langer.

[7“Mijn artikel over psychoanalyse is goed ontvangen. Het lijkt geëigend een wetenschappelijke houding aan te nemen en alles te verpakken in woorden als ‘diepzinnig’, ‘diepgravend’, ‘indringend’ !” (Ernest Jones aan Sigmund Freud, 14 februari 1910, in Correspondance complète, Paris, P.U.F., 1998, p. 94, aangehaald in Le livre noir, p. 275, door ons uit het Frans vertaald ; het oorspronkelijk Duits is te vinden in Briefwechsel 1908-1939, 2 Bde., Frankfurt, Fischer, 1993).

[8Er kunnen natuurlijk grootse speculatieve ideeën bestaan die enige tijd blijven bestaan in de schaduw van de wetenschap. Charles Darwin schreef heel wijs “Ik ben er sterk van overtuigd, dat er zonder speculatie geen enkele goede en oorspronkelijke observatie kan plaatsvinden.” (Brief aan Alfred Russel Wallace, 22 december 1857). Maar op de eerste plaats is psychoanalyse nooit naar voren gebracht als loutere bespiegeling of “hypothese” ; op de tweede plaatse – geheel in tegenstelling tot Charles Darwin die tientallen jaren werkte alvorens iets uit te geven – zocht Sigmund Freud nooit naar wetenschappelijke bevestiging voor zijn bespiegelingen – hij beweerde eenvoudig dat zijn persoonlijke “inzichten” voldoende garantie vormden voor de geldigheid van zijn “therapie”.

[9Aangehaald in Le livre noir sur le psychanalyse, p. 114, door ons uit het Frans vertaald. Jacques Lacan postuleerde dat het “onbewuste” niet rationeel begrepen kon worden, maar benaderd moest worden door het “onbewuste” zelf. Dat betekende dat het “onbewuste” van de “analist” in het midden van de aandacht kwam te staan en dat de “geanalyseerde” iets moet proberen te begrijpen van zijn gezwets en er voor moet betalen. “Psychoanalyse is een taal-praktijk en als zodanig benaderd het de verschillende psychotherapieën. Maar in tegenstelling daartoe valt het niet terug op suggestie, noch op het voortbrengen van betekenis en het is niet gericht op het bestrijden van symptomen. Het is een taal-praktijk gericht op stille lust, ver-bieden, voorbij betekenis, waarin het symptoom leeft. Het is de enige discipline gericht op het veranderen van de bijt van het gezegde in het vlees, de enige gericht op het aanraken van de voeg tussen de betekenaar met het levende en zijn lust. Dit is een manier om het duidelijk te omschrijven.” (Uit een uitnodiging voor een reeks van conferenties in 2009-2010 van het (Lacanistische) Forum psychanalitique de Bruxelles). Er bestaan zeker andere manieren om het duidelijk te omschrijven.

[10Het is één van de vele mythen dat Sigmund Freud een taboe verbrak door openlijk over seksualiteit te spreken ; het enige dat hij deed was het op straat gooien van de gemeenplaatsen en vooroordelen van zijn sociaal milieu, overduidelijk tot grote onbehaaglijkheid van zijn omgeving.

[11Het vitalisme gaat uit van een “vitaal beginsel” om de wereld te verklaren, genaamd “wil”, “vitale vonk”, “psychische energie” of “élan vital”, men kan het ook “ziel” noemen ; het universum zou worden geleid door een niet noodzakelijkerwijs bewuste “wil”, op zoek naar zijn “zelfverwerkelijking” ; soms wordt het beperkt tot de levende natuur.

[12In Voorbij het lustprincipe (1920) schreef Sigmund Freud : “We hebben zonder ons daarvan bewust te zijn koers gezet naar de haven van de filosofie van Schopenhauer.” Dat is eerder vanwaar hij vertrok.

[13Zie voor de oorzaken van de inderdaad bestaand hebbende lichamelijke en morele aftakeling van de arbeidersklasse in de negentiende eeuw om te beginnen Friedrich Engels, Die Lage der arbeitenden Klasse in England, 1844 (De toestand van de arbeidersklasse in Engeland, Moskou, Progres, 1976).

[14Sigmund Freud bleef zijn hele leven lid van de vrijmetselaarsloge B’nai B’rith. In 2003 werd er in Parijs een loge opgericht van deze tak van de vrijmetselarij onder de naam Sigmund Freud.

[15Vroege psychoanalytici als Alfred Adler, Carl Gustav Jung, Sándor Ferenczi and Otto Rank zouden dat snel ondervinden ten koste van henzelf.

[16De ironie is dat alle andere vroege psychoanalytici verplicht terecht kwamen op de ligbank van Sigmund Freud (vooral degenen die meningsverschillen met hem hadden), maar dat Sigmund Freud zelf nooit op iemand anders ligbank heeft gelegen.

[17Het oorspronkelijk onderscheid tussen “neuroses” and “psychoses” was tussen wat geacht werd voort te komen uit de “zenuwen” en uit het “zielenleven”. Sigmund Freud daarentegen dacht dat “neuroses” psychologisch van aard waren.

[18Het idee van de een of andere constante “psychische energie” bestond uit een plagiaat door Sigmund Freud van de Duitse fysioloog Ernst Wilhelm von Brücke ; het bestaat niet alleen in allerlei soorten van vulgair materialistische en vitalistische ideologieën, maar zelfs in de Prana van het Indiase mystieke boek Upanishads, en vandaar kan het worden gevolgd tot aan William Blake en de Theosofie.

[19De geschiedenis van de psychopathologische classificatie, van Emil Kraepelin tot aan de moderne DSM, zal verderop behandeld worden.

[20Het werd verder ontwikkeld door Sigmund Freud’s neefje Edward Bernays en in het Verenigd Koninkrijk door Wilfred Trotter.

[21De begrippendefinities in de psychoanalyse zijn zo vaag en rekbaar dat inspanningen om hun juistheid empirisch te bewijzen net zo nutteloos zijn als proberen na te gaan of Jezus inderdaad een kind bij Maria Magdalena had of dat koning Merovech van dat kind zou afstammen. De “Freud Oorlog” wordt niet in Frankrijk gevoerd, maar in de Verenigde Staten ; de Franse intellectuelen lopen dertig jaar achter op Amerikaanse advocaten die alle onsamenhangendheden, innerlijke tegenspraken en mislukkingen in de rechtszaal aantoonden.

[22Roy Grinker was aanwezig toen Sigmund Freud een document ontving met de resultaten van een experimenteel onderzoek dat de theorie van onderdrukte herinneringen leek te ondersteunen : “Freud gooide de brief in woede op de grond, zeggende : ‘de psychoanalyse heeft geen experimenteel bewijs nodig !’” Geciteerd naar : Jacques Van Rillaer, Le freudisme et les rationalismes, 2006, bron : R. Grinker, A philosophical appraisal of psychoanalysis, in : J. Masserman (ed.), Science and Psychoanalysis, New York, Grune & Stratton, 1958, Vol. I, p. 132, door ons vertaald uit het Frans.

[23Uit een Amerikaanse film : “Wat is dat, een vriend ?” Antwoord : “O, dat is een soort van psychoanalyticus voor wie er geen kan betalen”. Psychoanalytici kunnen, met enige levenservaring, klanten adviseren met wat wijsheid, maar die kwaliteiten zijn niet vereist om psychoanalyticus te worden. Dat het geven van vriendschappelijk advies handelswaar kon worden zegt veel over de vernietiging van de sociale betrekkingen binnen het kapitalisme. In tegenstelling daartoe is professionele hulp onmiddellijk na traumatische gebeurtenissen in enige mate doelmatig gebleken.

[24Een onderzoek naar eigen motieven kan echter heel nuttig zijn, omdat het ook kan gaan om vragen van eenvoudige eerlijkheid.

[25Woody Allen was uitgebreid in “psychoanalyse” voor meer dan dertig jaar. Zijn films wekken de sterke indruk dat hij ergens in zijn carrière begon psychoanalytici te manipuleren in plaats van door hen gemanipuleerd te worden, enkel om zo waanzinnig materiaal voor zijn films te verzamelen. Zie vooral Zelik, 1983, een heel “diepgravende” parodie van de psychoanalyse in de vorm van een historische documentaire van het Interbellum : de periode tussen de twee wereldoorlogen toen de psychoanalyse furore maakte.

[26Toen Karl Marx zijn “materialistische geschiedopvatting” formuleerde (eigenlijk gebruikte hij nooit de begrippen “historisch materialisme” of “dialectisch materialisme), dat wil zeggen de algemene conclusie waartoe hij was gekomen en die uiteengezet zou worden, gebruikte hij de uitdrukking “materialisme” in de achttiendeeeuwse betekenis van de filosofen die op zoek waren naar “fysische”, dat wil zeggen natuurlijke verklaringen terwijl ze de metafysische, dat wil zeggen “bovennatuurlijke” verklaringen verwierpen ; het had ook betrekking op de (materialistische) experimentele wetenschap tegenover de (idealistische) zuiver speculatieve filosofie. De “vulgair materialisten” van de negentiende eeuw vernauwden dit begrip daarentegen tot een loutere tegenstelling tussen een ontologische, dus metafysische “stof” en een evenzo ontologische en dus metafysische “geest”, terwijl de twee eigenlijk pure abstracties zijn, en onderling geheel verwisselbaar. Anton Pannekoek’s kritiek Lenin als filosoof blijft in dit opzicht sterk ondergewaardeerd.

[27Zie Friedrich Engels, Dialektik der Natur, hoofdstuk Die Naturforschung in der Geisterwelt.

[28Met name “Dora”, dat is Ida Bauer, de zuster van Otto Bauer, en “Irma”, dat is Emma Eckstein, niet alleen een zuster van de Austro-Marxist Gustav Eckstein, maar ook van de theosofist Friedrich Eckstein, die bevriend was met Sigmund Freud. Zowel Otto Bauer als Gustav Eckstein zijn te vinden in Rosa Luxemburg’s Anti-Kritiek.

[29“Joffe leed onder zenuwklachten en was in psychoanalyse bij de bekende Weense specialist, Alfred Adler, die begon als leerling van Freud maar later zijn meester tegensprak en zijn eigen school van persoonlijke psychologie oprichtte. Door Joffe raakte ik bekend met de problemen van psychoanalyse, wat me fascineerde, hoewel veel op dit gebied nog vaag en in beweging is en de weg opent voor modieuze en willekeurige ideeën.” (Leon Trotsky, My Life, hoofdstuk 17, Preparing for a New Revolution). Psychoanalyse heeft een belangrijke rol gespeeld in veel trotskistische groepjes.

[30Deze Witte Kleuterschool werd geleid door Vera Schmidt en later Sabina Spielrein. Voor psychoanalyse in the Sovjet-Unie, zie Martin A. Miller, Freud and the Bolsheviks, New Haven, Yale University Press, 1998, en A. Etkind, Eros of the impossible : the history of psychoanalysis in Russia, Oxford, Westview Press, 1997. Bewijs dat stalinisten doorgingen psychoanalyse te benutten is Reuben Osborn (pseudoniem van de psychiater Reuben Osbert), Freud And Marx, A Dialectical Study, London and New York, 1937. Voor een stalinistische beoordeling van psychoanalyse zie Georges Politzer, Critique des fondements de la psychologie, 1928 ; herdrukt Parijs, P.U.F., 2003.

[31Siegfried Bernfeld et al., Psychoanalyse und Marxismus : Dokumentation einer Kontroverse, Frankfurt am Main, Suhrkamp Verlag, 1970 ; Russel Jacoby, The Repression of Psychoanalysis : Otto Fenichel and the Political Freudians, New York : Basic Books, 1983.

[32Dr. Alice Rühle-Gerstel, Freud und Adler, Dresden, 1924.

[33Anton Pannekoek, Marxism and Psychology, in : Living Marxism, Vol IV, No. 1, februari 1938, p. 21-23 [Psychologie en Marxisme, in Psychologie en samenleving, 1979] ; Anton Pannekoek liet ook onuitgegeven aantekeningen over het onderwerp na in het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis in Amsterdam. Paul Mattick, Marx and Freud, in Western Socialist, maart-april 1956 (over Eros and Civilisation van Herbert Marcuse).

[34Psychoanalyse is afwezig in de geschriften van bijvoorbeeld Karl Kautsky, August Bebel, Franz Mehring en Rosa Luxemburg.

[35Norman O. Brown, Life Against Death, The Psychoanalytical Meaning of History, Middletown, 1959 (Leven tegen dood, de psychoanalytische betekenis van de geschiedenis, Bilthoven, Amboboeken, 1972). Norman O. Brown was een goede vriend van Herbert Marcuse ; zij ontmoeten elkaar in de OSS, de voorloper van de CIA. Herbert Marcuse bekritiseerde Norman Brown in Love Mystified : A Critique of Norman O. Brown, in Commentary, februari 1967 ; Norman O. Brown reageerde in A Reply to Herbert Marcuse, in Commentary, maart 1967.